Na zijn besloten jeugdjaren in het verwarmde zoutwaterbassin aan de Domineesweg was de grote vraag: hoe zou een volgroeid, koudbloedig zeewezen aarden tussen de opgeschoten jeugd van het eiland? Het antwoord bleek even verrassend als ontwapenend: Kapitein Orky integreerde sneller dan een kotter met wind mee Harlingen binnenloopt.
Eén van de Jongens
Waar pedagogen vreesden voor een sociaal isolement vanwege zijn volumineuze schuimrubberen postuur en constante glimlach, werd Orky op de Visserijschool direct omarmd als ‘iene van oens’. Hij sprak binnen drie weken vloeiend plat, at zijn scholletjes met graat en al naar binnen en liet zich tijdens de theoriecursussen door niemand van de wijs brengen.
In de befaamde memoires van Tromp van Buurtjen wordt een compleet hoofdstuk aan hem gewijd:
“Hij was weliswaar wat dik van vel en zijn laarzen piepten op het linoleum, maar in zijn hart was het een rasechte Urker. Hij wist dondersgoed wanneer het tij keerde en vroeg nooit om korting als ‘ie wist dat de vangst mager was.”
Knopen met De Banaan (en de andere Jan)
Het maritieme handwerk bleek hem op het lijf geschreven. Het splitsen van staaldraad en het vlechten van netten deed hij met zijn logge vinnen met een verbluffende precisie — al liep de praktijkles niet altijd vlekkeloos.
Bronnen uit die tijd herinneren zich de felle discussies tijdens het vak Touwwerk & Knopenleer. Orky weigerde pertinent de officiële schootsteek volgens de leerboeken te leggen. Hij hanteerde een eigen, volstrekt onontwarbare “commerciële dubbele klemknoop”, waarmee hij voorwerpen (en passanten) muurvast kon zekeren aan zijn zijde.
Omdat de helft van het docentenkorps én de klas Jan heette, reageerde Orky steevast op elk bevel door simpelweg met zijn netje te zwaaien en een rondje om zijn as te draaien.

Feestbeest in Het Urker Vlop
Dat Orky zich de dorpscultuur moeiteloos eigen maakte, bleek vooral op de vrijdagavonden. Op recent vrijgegeven archiefbeelden zien we een uitgelaten Orky te midden van de dorpsjeugd in het roemruchte café ’t Zoldertjen.
Onder de neonverlichting en omringd door flesjes Heineken danste hij urenlang op het ritme van piratenhits, zwaaiend met zijn scheepstouw en witte netje, terwijl de jeugd hem luidkeels toejuichte.
Het was in deze dampende kroegnachten dat zijn roeping definitief vorm kreeg: hij hoorde niet op een eenzame trawler op de Noordzee. Zijn plek was hier, op het droge, midden tussen het volk. Klaar om het Oude Dorp te veroveren.

